bron: Denkend aan Haarlem...
transcriptie: Wim

De straat waarin ik in Haarlem droom

Haarlemmer ben ik van geboorte. Dat is puur toeval. Ik heb geen Haarlemse voorouders. Mijn vader en moeder kwamen vanuit verre steden en landen voor de oorlog in Amsterdam terecht. Eigenlijk waren ze niet van plan daar weg te gaan, maar het toeval, laten we het gemakshalve maar zo noemen, wilde anders. De Duitsers evacueerden Scheveningen. Dat betekende dat mijn ouders mijn grootmoeder in huis moesten nemen en daarom groter moesten gaan wonen. Maar waarom bleven ze niet in Amsterdam? Er was in die jaren aan veel gebrek, maar niet aan huurhuizen. Waarschijnlijk dachten ze dat een grote stad in oorlogstijd minder veilig was, gezien het lot dat Rotterdam had getroffen. Mijn vader was grafisch ontwerper en werkte thuis. Ze waren niet aan Amsterdam gebonden. Eerst dachten ze aan het Gooi. Ik ontsnapte, ofschoon nog niet eens verwekt, aan mijn eerste gevaar. 't Gooi! Ik moet er niet aan denken.
Het werd de rand van Heemstede. Bijna op de grens met Haarlem, dicht bij het station. Het werd ook de hongerwinter van 1944- 1945 en zo kwam ik, op dat nogal ongelukkige tijdstip, als niet-katholiek jongetje ter wereld in de Mariastichting, dat als laatste van de ziekenhuizen nog over enige energie beschikte. De winter was streng. Er lag sneeuw en in het hongerende westen van Nederland gingen meer mensen dood dan er geboren werden. Mijn eerste muziek: de niet aflatende missen van requiem uit de kapel van het ziekenhuis. De eerste mensen die ik in het leven ontmoette, waren nonnen van een Duitse orde, die mij m'n eerste bijnaam gaven: Der Bürgermeister. Ik weet niet waar ik dat aan te danken had. Misschien omdat ik een dag lang naamloos geweest ben. Ik werd op het stadhuis aangegeven door Zuster Agnetha en Zuster Theresia in plaats van door mijn vader, die ondergedoken zat. Mijn naam stiet op argwaan bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Lennaert stond niet in het grote boek en ze moesten eerst uitzoeken of dat geen joodse generaal was of iets dergelijks. Geen echte Haarlemmer en toch al burgemeester, niet eens katholiek, maar wel gekoesterd door de nonnetjes van de Mariastichting. Het begin had slechter gekund.

In Haarlem geboren worden betekende niet dat ik met het stratenplan in mijn hoofd ter wereld kwam. De wereld kreeg langzaam vorm vanuit de beslotenheid van ons huis. Dat stond in Heemstede, maar Heemstede hield op aan het einde van de laan. Daar begon de open ruimte van de weilanden, met in de verte de verwilderde tuin van Het Huis met de Beelden, waar de toren van de Bavo nog net bovenuit kwam kijken. Met nog verder de tribune van HFC en het torentje van de kapel Vredenburg. Een lieve half-landelijke omgeving. Tegenover ons huis was het landje waar het paard van de melkboer graasde en af en toe fietste de oude boer Jansen door de straat, op klompen en met een riek over zijn schouder. Een wereld die vrijwel naadloos aansloot bij die van het leesplankje op school, bij Teun, Vuur en Gijs.

Mijn moeder nam me af en toe mee naar de stad als ze ging winkelen. Waarom eigenlijk? Ze verkeerde in de luxe-omstandigheid haar eigen moeder in huis te hebben, dus anders dan de meeste moeders kon ze makkelijk alleen weg.
'Voor de gezelligheid,' zegt ze zelf.
Ik vond het niet altijd leuk, geloof ik. Ik werd gauw ziek in de bus, die oude groene puffende stinkbus, die van de Zandvoorter Allee over de Leidsevaart naar de Tempeliersstraat reed. Langs het Paleis van de Mifi's. Zo noemde ik de nieuwe Bavo. Ik mocht dan wel in een katholieke omgeving geboren zijn, met de uitbundige bouwstijl van de kathedrale basiliek ging ik op mijn manier aan de gang. In haar bureau koesterde mijn moeder een doos met kleine miniatuurtjes van beschilderd brons. Zes cyperse katjes met muziekinstrumenten. Onze kat heette Mifi. Vandaar, de Mifi's. Het zou de naam van een band kunnen zijn. Alsof ik wist dat ik in de lichte muziek terecht zou komen.

In Haarlem liep ik de meest bizarre trauma's op. Want natuurlijk verveelde ik me een ongeluk in de schoenenzaak van Huizing of bij de Knoopenwinkel, terwijl mijn moeder, in mijn herinnering althans, nagenoeg de gehele winkelvoorraad te voorschijn deed halen en uit liet stallen, alvorens met lege handen te vertrekken, verzuchtend dat het geen vergelijk was met voor de oorlog. Maar de lunchroom van V & D maakte veel goed. Toen had de wolkenkrabber op het Verwulft nog de originele gedaante, met de verdiepingen als galerijen om die enorme open ruimte in het midden heen.
Maar aan de achterkant van het warenhuis wilde ik niet komen, want ik was bang van de gaper van Van der Pigge. Omdat die Ridders Rat heette en 's nachts achter de linnenkast zat in de slaapkamer en in het donker om het hoekje keek. Dat soort dingen gaat nooit over.

Langzaam verkende ik de wereld. Eerst de buurt. Ik zag het Coornhert Lyceum bouwen, waarvoor het paradijs van mijn kinderjaren plaats moest maken. Ik zag het huis bouwen waar ik later zelf zou wonen. Ik leerde fietsen, verkende de stad en de omgeving, proefde aandachtig de sfeer van iedere straat. En de kleur, de toonsoort. Ik luisterde naar het verhaal dat al die plekken me vertelden. Ik weet echt niet wat er ooit voorgewichtigs heeft plaatsgehad op het vlooienveldje of in de Iordensstraat. Voor mij had alles z'n eigen reden.
Waarom is het bij voorbeeld altijd zondag in het Florapark? Omdat het zo iets dromerigs heeft? Ik weet wel waarom het altijd maandagochtend is in de Grote Houtstraat. Omdat het er toen zo druk was en gezellig.
Waarom is het altijd zaterdagavond op het Houtplein? Omdat daar de stad begon. Waar het allemaal ging gebeuren toen ik vijftien was en op weg naar de ijssalon van Giraudi.
Waarom is het altijd 1952 in Haarlem-Noord? Omdat het bij de familie Kroes in de Pleiadenstraat zo knus was op zaterdag, als de oudste zoon met verlof kwam uit dienst. Om 's avonds naar de stad te gaan en te dansen met zijn meisje, een idee dat mij enorm opwindend voorkwam, hoewel ik me er geen enkele voorstelling van kon maken.
Waarom ruikt het nog steeds naar chocolade langs de Spaarndamseweg, zelfs nu Droste er niet meer is? Omdat het zo rook toen Pa en ik in het bootje naar de fabriek van Hilarius werden overgezet, met op de achtergrond de klapbrug over het water langs de Paul Krugerkade.

De kaart van Haarlem is bezaaid met zichtbare en onzichtbare monumenten en hoe vaak ik nu zelfs nog langs bepaalde punten kom, altijd lichten de vertrouwde signalen voor mijn geestesoog op.
Het Hiernamaals, om eens een zijstraat te noemen, bevindt zich ergens in Aerdenhout. Omdat daar de bossen waren met het geheimzinnige Kareol, waarvan ik het torentje kon zien uit ons zolderraam, maar dat ik op de fiets eerst maar niet kon vinden. Het Kareol fascineerde me mateloos. In mijn dromen was dat de toegang tot de Andere Wereld. Het Kareol is dan ook niet afgebroken, in tegenstelling met wat men denkt. Niet in mij, althans.
Waarom is het plafond in de Waag erotisch? Omdat ik daar Joke heb ontmoet. Waarom heeft de Grote Sint-Bavo van binnen pannekoekenverdriet? Omdat ik daar in 1966 mijn eindexamenfilm voor de Nederlandse Filmacademie maakte: Vox Humana, met Klaas Bolt aan het Müllerorgel. En toen maakte Joke het uit en als troost bakte ik 's avonds als ik thuiskwam pannekoeken voor mezelf.
Waarom bestaat Schalkwijk niet? Omdat het toen ook niet bestond. Waarom is het altijd kermis op de Gedempte Oude Gracht? Omdat ik in het reuzenrad ging met Jeannette, om uit te kijken over de stad en haar, als we helemaal boven waren, te zoenen.
Waarom, ten slotte, staat de wereld voor de mensen die in Haarlem-Noord wonen op z'n kop? Omdat hun landkaart ondersteboven hangt. Want de stad begint op het Houtplein, in het noorden, dus boven aan de kaart. Waarom? Omdat ik in de Mariastichting geboren ben, in het zuiden. Waar ze me burgemeester noemden voordat ik een naam had, de goede feeën die aan mijn wieg stonden.


Inhoud op internet gezet met toestemming van Lennaert Nijgh.
De copyrights blijven onverkort geldig.
Transcripties kunnen overname-fouten bevatten. Correcties zijn welkom.




Gegenereerd door DVEGEN 3.2 op 2004-10-09
email